zaterdag 23 mei 2009

Leonhardt ontvangt Eremedaille voor Kunst en Wetenschap

In het Reformatorisch Dagblad staat het bericht:

Eremedaille voor Gustav Leonhardt

DEN HAAG – Klavecinist, organist en dirigent Gustav Leonhardt heeft vrijdag op Paleis Huis ten Bosch uit handen van koningin Beatrix de Eremedaille voor Kunst en Wetenschap ontvangen.

De koninklijke onderscheiding wordt toegekend aan personen met uitzonderlijke verdiensten op gebied van kunst en wetenschap. Dat meldde de Rijksvoor-lichtings-dienst.
Leonhardt is docent klavecimbel aan het conservatorium van Amsterdam en organist van de Nieuwe Kerk. Hij geldt als een pionier van de authentieke uitvoeringspraktijk. Dat houdt in dat muziekstukken worden uitgevoerd op instrumenten die gangbaar waren in de tijd waarin zij werden gecomponeerd. Een van zijn geestverwanten is de Oostenrijkse dirigent Harnoncourt. Met hem samen ontving Leonhardt in 1980 de Erasmusprijs.
Leonhardt heeft ook warme banden met het Koninklijk Huis. Hij was bestuurslid bij Musica ’85, de stichting die in 1985 het Europees jaar van de Muziek organiseerde. Prins Claus was daarvan de voorzitter.
De Eremedaille werd voor de vijfde keer toegekend. Onder anderen schrijfster Hella S. Haasse en kunsthistoricus Rudi Fuchs gingen Leonhardt voor.


zaterdag 4 april 2009

Interview met Ton Koopman (Trouw 4 april 2009)

In het Dagblad Trouw (bijlage Verdieping, blz. 32-33) staat een interview met Ton Koopman

Ton Koopman 'Ik zou graag weer klavecimbel studeren'

Sandra Kooke

Bijna veertig jaar heeft Ton Koopman fier aan het hoofd van de authentieke-muziekbeweging gestaan. Nu heeft het Fonds van de Podiumkunsten plotseling zijn subsidie ingetrokken en laten sponsors het afweten. Om te voorkomen dat zijn muziekimperium instort, besteedt Koopman al zijn tijd aan regelwerk.

Onder de kapstok in de hal staat een koffer klaar. Over enkele uren vertrekt Ton Koopman van Bussum naar Zürich waar hij ’s avonds de Matthäuspassion van Bach zal repeteren met het Tonhalle-Orchester. Maar op dit moment, vrijdagochtend 10 uur, voert Koopman, gekleed in blauw overhemd, spencer en colbert, een zakelijk gesprek over financiën. In de huiselijke woonkeuken, dat wel.
Eigenlijk staat Koopman (64) het liefst in hemdsmouwen orkestrepetities te leiden. Of trapt met zijn voeten op de pedalen van een orgel. Sinds Koopman als veertienjarige het orgel van de kerk in Zwolle bespeelde, gaat het in zijn leven over niets anders dan muziek.
Dat zakelijke gesprekken plotseling een vast onderdeel van zijn leven zijn geworden, is dan ook niet uit vrije wil. Koopman vecht voor het voortbestaan van het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir, dat hij precies dertig jaar geleden oprichtte. Dat krijgt geen subsidie meer, besloot het Fonds voor de Podiumkunsten onlangs. Ze hadden 800.000 euro gevraagd. Het heeft Koopman diep geraakt. Hij voelt zich persoonlijk aangevallen.
Door geldgebrek was Koopman gedwongen de Matthäus-tournee met zijn eigen orkest af te zeggen. Niet Koopman en het ABO & C stonden afgelopen woensdag in het Concertgebouw in Amsterdam, maar Mark Padmore en The Orchestra of the Age of Enlightenment. Tot na Pasen is Koopman plotseling vrij.

Wat doet u de komende week?
„Ik ga twee weken naar mijn vakantiehuis in Frankrijk. Ik kan het niet verdragen om nu in het Concertgebouw naar mijn collega’s te luisteren, terwijl ik daar zelf zou spelen.
„Het is voor het eerst van mijn leven dat ik een tournee moet afzeggen. Dat is heel verdrietig voor mij, maar nog veel meer voor de mensen om me heen. De solisten, de mensen in het koor en orkest rekenden op twee weken werk en ik heb mijn afspraak niet na kunnen komen. Dat voelt als een hele slechte daad. Ik heb het de mensen persoonlijk uitgelegd, omdat ik de verantwoordelijkheid draag en ik daarom de confrontatie met hen moest aandurven. Omdat ik zelf ook slachtoffer ben, was het voor hen makkelijker te begrijpen.”

Is het extra moeilijk dat het de Matthäuspassion betreft, het hoogtepunt in het muzikale jaar?
„Ja, dat is zeker waar. Maar het doet vooral pijn omdat het zo onnodig was. Het Fonds voor de Podiumkunsten heeft – in haar grote wijsheid, zal ik maar zeggen – besloten ons geen subsidie meer toe te kennen. De Engelse krant The Guardian noemde dat a criminal act, een misdaad. En zo zie ik het ook: het is een bewuste actie geweest tegen ons. Van wie? Dat kan ik niet bewijzen. Maar gezien het juridische steekspel, het extra werk dat het ministerie en de landsadvocaat hebben verricht om het besluit juridisch dicht te timmeren, denk ik dat iemand eropuit was ervoor te zorgen dat wij geen subsidie zouden krijgen.
„Misschien heeft het kwaad bloed gezet dat ik twee jaar geleden al heb geroepen dat ik naar Bordeaux zou verhuizen, omdat de subsidiëring in Frankrijk beter was. Hoe dan ook is de commissie heel anders met ons plan omgegaan dan andere jaren. Toen was er ook weleens kritiek, maar dan zei men: ’Luister eens Ton, er zijn een paar dingen onduidelijk’ of: ’Er staan een paar fouten in, kom eens langs’. Ik kan met de beste wil van de wereld niet begrijpen dat ze nu niet hebben gedacht: ’We moeten even contact opnemen en nadere informatie vragen’, dat ze gewoon met één pennestreek hebben gezegd: weg.”

U klinkt nog steeds erg boos.
„Ik bén erg boos. Als ik kon begrijpen waarom dit gebeurde, kon ik ermee leven. Maar ik kan het absoluut niet begrijpen. En dat vind ik heel erg. In het jaar dat we dertig jaar bestaan, krijg ik te horen: ’flikker maar op, het is voorbij’.
„Oké, je kunt best kritiek op ons plan hebben. Sommige dingen heeft de commissie goed gezien. Maar ze hebben veel te veel naar de regeltjes gekeken. Het plan moest worden geschreven zoals zij het wilden. Nou, dat is bij ons niet intelligent gedaan, dat geef ik toe. Wij hebben het gedaan zoals we het altijd al deden. Vervolgens wordt een plan op deze regeltjes beoordeeld. Daarmee geef je het ABO wellicht de doodsteek.”

Loopt het daarop uit, op het einde van uw orkest?
„Ik durf het niet te zeggen. Het kantoortje van het ABO, daar in de tuin, staat nu leeg. Het hele bestuur is ontslagen, zes mensen zijn er weg. De schuld die door koor en orkest is opgebouwd, heb ik op me genomen door een extra hypotheek op mijn huis te nemen.”
De kritiek van het Fonds was ook dat u weinig onderscheidend of vernieuwend bent in tegenstelling tot jonge ensembles als Holland Baroque Society. Kwaliteit alleen is niet genoeg.
„Is het Concertgebouworkest vernieuwend? Nee. Ga je ze daarom opheffen? Ik gun Holland Baroque Society zijn subsidie – veel van de leden hebben nog in mijn orkest gespeeld of les van me gehad – maar vernieuwend zijn is heel betrekkelijk. De componisten die we spelen zijn allemaal al dood. En ik kan wel een programma doen over vogels of obscure, matige componisten spelen, of André Rieu vragen om bij mij de Vier Jaargetijden van Vivaldi te komen spelen, maar dat is – los van mijn achting voor wat die man op zijn gebied heeft bereikt – niet mijn doel. Mijn droom is kerkmuziek uit de zeventiende en achttiende eeuw uitvoeren.
Als ik dat alleen aan de man kan brengen door iets geks te doen, hoeft het voor mij niet meer. Je gaat Bernard Haitink toch ook niet vragen om iets geks te doen?”
Koopmans problemen lijken de tijdgeest te weerspiegelen. In de jaren zeventig overrompelde hij als organist, klavecinist en dirigent de muziekwereld met zijn ontdekkingen over hoe barokmuziek authentiek uitgevoerd moest worden: sneller, dansanter, met kortere noten, zonder vibrato. De authentieke beweging was avant garde. Koopman speelde met lang haar op protestbijeenkomsten tegen de oorlog in Vietnam. Niet het Concertgebouw, maar de poptempel Paradiso was zijn podium.
Langzaamaan nam de gevestigde muziekwereld de denkbeelden van deze beweging over. Koopman groeide uit tot het gerespecteerde boegbeeld van de oude-muziekbeweging, symfonieorkesten vormden in barokmuziek hun spel naar zijn inzichten.
Nu wordt hij als gespecialiseerd dirigent gevraagd door alle grote orkesten ter wereld: The New York Philharmonic, the Boston Symphony Orchestra, The Berliner Philharmoniker. Maar je kunt je afvragen of de specialisten in oude muziek nog wel nodig zijn nu de allround dirigenten en orkesten ook wel weten hoe je barokmuziek uit moet voeren. Overal ter wereld worstelen barokorkesten met de weggevallen platencontracten.

Begint uw specialisme een beetje overbodig te worden?
„Ik zie dat niet terug in de publieke belangstelling. Er komt een ander publiek als ik de Matthäuspassion met mijn eigen barokorkest breng. De een houdt meer van moderne, de ander meer van barokinstrumenten.”

Het is waar dat gewone orkesten ook heel goed barokmuziek kunnen spelen. Als daar een authentieke dirigent voor staat, kan daar een interessant resultaat uitkomen. Maar het is wel anders dan bij een barokorkest.
„Barokmuziek heeft altijd jong publiek getrokken. Kennelijk is de emotie die bij barok hoort attractief voor jongeren, studenten. Dat zie je over de hele wereld. Het is niet de wereld van Mahler, Bruckner of Richard Strauss, die ik ook niet begrijp. Daar ben ik kennelijk nog te jong voor. Bij barokmuziek wil je lachen, een glas wijn drinken, en soms, plotseling, word je heel diep geraakt.
„Maar een barokorkest fungeert ook als de spiegel voor een gewoon orkest. Het heeft de klankwereld van de oude muziek in zich. Ik ken veel mensen die op moderne instrumenten spelen – waar ook ter wereld – en aan mij vragen: mag ik een uurtje langskomen om uit te zoeken hoe ik op een modern instrument Bach zo dicht mogelijk benader. Sommigen willen niet dat hun collega’s weten dat ze bij me komen. Ik doe het altijd graag, of het nu een harpist of een marimbaspeler is. Want hoe meer je van deze muziek weet, hoe beter je het speelt.”

Blijft het soort onderzoek dat u altijd hebt gedaan daarom nodig? Weten we het niet allemaal al?
„Als je een componist verdedigt die allang dood is, heb je een erezaak. Bij moderne musici zoals Reinbert de Leeuw, zit de componist vaak bij de repetities. Die zegt dan of iets sneller moet of non-vibrato of wat dan ook. Maar als de componist dood is, is het de taak van de uitvoerenden om te weten wat de componist wilde. Dat moet natuurlijk niet uitmonden in een universitaire lezing op het podium, je moet bovenal muzikaal spelen.
„We moeten accepteren dat we in een andere tijd leven. Die klinkt ongemerkt in de muziek door. In barokmuziek is ritme heel belangrijk. Dat is iets waar we tegenwoordig veel van houden. Ik ook, mijn vader was jazzmusicus. Maar misschien overdrijven we dat ritme wel. Ik stel me altijd voor dat Bach gedanst heeft op de bruiloften van zijn kinderen. Maar misschien zie ik dat wel verkeerd.”

Nu u over muziek praat, bent u meteen weer enthousiast. Zo herken ik u weer. Dat negatieve is niets voor u.
„Mijn probleem is dat ik momenteel zo afgeleid word van de dingen die ik het liefst doe. Ik zou graag weer gewoon klavecimbel studeren. Daarvoor moet je in rustiger vaarwater komen. Nu ben ik dagelijks aan het bellen met impresariaten. Ik probeer ieder project te redden. Het Fonds wil dat we meer in Nederland optreden. Daar ben ik het mee eens, maar dat kan ik nu niet financieren. Tenzij er iemand als sponsor binnenvalt. Daar heb ik vanmorgen over zitten praten. Het is heel fijn te merken dat mensen bereid zijn mee te denken over oplossingen. Het is hoognodig dat er mensen komen die goed zijn in zaken oppakken. Dan kan ik door met muziek maken en mensen warm maken voor de dingen waar ik in geloof.
„Ik heb nu een commissie van vooral financiële mensen die meepraten over hoe we dit moeten oplossen. Mensen uit de milieuhoek, Wouter van Dieren bijvoorbeeld. Dit is echt de zakenwereld, mensen met enorme netwerken. Die moeten we gaan combineren met een paar mensen uit de muziekwereld. Maar deze zakelijke kant is echt belangrijk. We denken nu dat een privémecenaat de meest kansrijke oplossing is.”

Het fonds ziet uw artistieke meerwaarde niet meer. Je kunt uit die conclusie ook lezen dat er een nieuwe generatie musici aan bod komt. U wordt dit jaar 65. Moeten de ouderen niet eens opschuiven?
„De directeur van het Haags Conservatorium heeft me net gevraagd om nog vijf jaar door te gaan met lesgeven. Als ik zie hoeveel jongeren staan te popelen om in mijn koor en orkest te gaan, als ik de publieke belangstelling voor onze concerten zie, dan denk ik niet dat ik moet stoppen.
„Leeftijd zegt niks. Van Bach wordt gezegd dat hij op zijn 56ste sneller met zijn voeten kon spelen dan een jonger organist met zijn handen. Dat stadium heb ik nog niet bereikt, maar ik kan nog steeds heel snel spelen. Het is minder een kwestie van leeftijd dan van temperament wat iemand nog kan spelen. Gustav Leonhardt is tachtig, maar die kan nog ongelooflijk snel spelen. Die vingers blijven wel lopen zolang je geen artrose krijgt.”

U kijkt op tegen tachtigjarigen als Haitink en Leonhardt. U bent dus nog een jonkie.
„Ja. Ik heb al gezegd dat ik door wil gaan tot mijn 85ste als ik gezond blijf. Dat is dus nu mijn eerste streven. Ik moet er niet aan denken om te stoppen. Mijn agenda zit trouwens helemaal vol tot 2013.”

Verandert het muziek maken naarmate u ouder wordt?
„Wat verandert is dat ik vrijer wordt. Ik heb lang met de muziek geleefd. Als je net begint kan de gedachte dat je een componist moet verdedigen, een zekere starheid teweeg brengen. Ik vind van mezelf dat ik op oude opnames veel te star speel. En dat terwijl ik werd aangevallen omdat ik te snel speelde. Maar nu speel ik vrijer.
„Mensen zeggen vaak dat het tempo hoog is als ik dirigeer. Maar ze vergeten dat ik soms ook extreem langzaam ben. Barokmuziek gaat over contrasten.”

Hoe lang duurt bij u de Matthauspassion?
„Volgens mij duurde de laatste live opname twee uur en twintig minuten. Dat is echt niet zo snel. Bij mij klinkt de aria ’Aus Liebe’ minstens zo langzaam als bij anderen. Maar de recitatieven zijn wel snel. Ze zijn immers gesproken, vertellen een verhaal.”

En hoe snel klinkt de Matthäus straks in Zürich?
„Dat weet ik nog niet, want je maakt met elkaar muziek en daar komt iets uit. Belangrijk is dat je een natuurlijke stroom in het stuk krijgt. De muziek mag niet stilstaan, tenzij bij een moment van grote inkeer. Met het Tonhalle Orchester heb ik veel Bach gedaan. Ik weet niet wanneer ze de Matthäus voor het laatst hebben gedaan en met wie, maar het wordt vast leuk. Het is een heel goed en open orkest.

Is het raar voor u om de Matthäus wel met een ander orkest te doen?
„Zeker zo vlak voor de repetities voor de Matthäuspassion heb ik het er moeilijk mee. Zondag sta ik tegenover een paar solisten die ook bij mijn orkest mee zouden doen. Ik weet wat ik die mensen heb aangedaan.”

Wordt dat moeilijk dirigeren?
„Nee, als ik muziek maak, ben ik dit allemaal vergeten. Ik moet verder kijken, niet alleen negatief doen. Maar ik voel toch dat alle ogen op mij zijn gericht: hoe gaan we dit oplossen? Ik ben helemaal niet goed in het werven van sponsors enzo.”

Tegenover het negatieve subsidieadvies staat voor u persoonlijk een reeks successen. U wordt bij de beste orkesten ter wereld gevraagd.
„Ik zeg altijd: met mij gaat het wel goed. Dat is het wrange. Het ABO is toch het kind dat ik op de wereld heb gezet. Ik zie er iets bijzonders in. Daarom wil ik het koesteren. En als er dan om onbegrijpelijke redenen ernstige tegenwind komt, dan is dat bitter. Je voelt je eerst verdrietig, dan bitter en tot slot optimistisch. Ik hoop dat de hand die me toegestoken wordt echt zal helpen.
„Er was laatst een mevrouw die tegen me zei: ’Er wonen hier zoveel welgestelde mensen. We zouden toch trots moeten zijn dat Ton in het Gooi woont en als Gooienaren het benodigde bedrag op tafel leggen’. Zoiets is hartverwarmend om te horen. Dat verzacht de bitterheid.”

woensdag 18 maart 2009

Choc-onderscheiding voor Léon Berben


Léon Berben heeft recentelijk ook een choc ontvangen voor de eerder genoemde cd met muziek van de Spaanse componist Juan Cabanilles.

dinsdag 10 maart 2009

Recensie cd met werk van Cabanilles

Er is een positieve recensie verschenen in Concerto, het magazine voor oude muziek in Duitsland, van de reeds bekroonde cd van Leon Berben, met werk van Cabanilles. Zoals eerder op deze blog is aangegeven bespeelt hij op deze cd het fraaie orgel van de Saint Martin te Tours. Wanneer u op de foto klkt, kunt u de Duitstalige recensie lezen:

maandag 2 maart 2009

In het Rd van maandag staat het interessante interview met Philippe Herreweghe

De man achter het merk Herreweghe

Herreweghe is een merk. Wie zegt voor de uitvoering van de cantates van Bach het liefst een cd van Philippe Herreweghe aan te schaffen, bedoelt daarmee dat alleen het beste goed genoeg is. De man achter het merk is een breed georiënteerde en gepassioneerde dirigent. Verslag van een ontmoeting in België.

Het is nog niet zo eenvoudig om een afspraak te maken met Herreweghe. De contacten lopen via harmonia mundi Nederland, dat afhankelijk is van de platenmaatschappij in Frankrijk, die het verzoek weer moet neerleggen bij het ensemble Collegium Vocale Gent. Op de aangegeven data zou het toch niet schikken bij de dirigent.
Totdat Herreweghe zelf belt. „Ik zie in m’n agenda dat we deze week een afspraak hadden”, klinkt het allervriendelijkst met een zwaar Vlaams accent. „Dat gaat niet meer lukken.”
Of het mogelijk is hem thuis op te zoeken? „Dan moet ge naar Italië komen. Als ik in mijn huis in Brussel of Frankrijk verblijf, ben ik continu aan het werk. Als ik even vrij heb, ben ik in Italië.”
Het wordt Antwerpen, na afloop van een repetitie in het Filharmonisch Huis aldaar.

Diamant
Deze middag staat Igor Stravinsky op het programma. Met een selectie uit het Vlaamse symfonieorkest deFilharmonie en uit het vocaal ensemble Collegium Vocale Gent voert Herreweghe aan het eind van de week een programma uit met onder andere de Mis en de Psalmensymfonie van deze 20e-eeuwse Russische componist.
Met vaart dirigeert Herreweghe -zwarte broek, wit poloshirt, voorovergebogen, priemende ogen door de ronde brillenglazen- de musici door de lastige partituur. Ondertussen heeft hij oor voor het kleinste detail. Een trombonist moet het ontgelden als hij keer op keer geen zuivere kwartsprong weet te maken.
De musici vormen een bont internationaal gezelschap. Maar Herreweghe schakelt moeiteloos tussen Vlaams, Duits, Engels en Frans. Toch kan een van de zangers het niet helemaal volgen. Waar zij dan vandaan komt? „Russia.” Tja, dat wordt moeilijk.
Over hoe het Kyrie -„een blinkende diamant”- aan het eind van de repetitie klinkt, is de dirigent enthousiast. „Wonderful! Sehr gut!” Morgen moeten de musici weer om 10.00 uur klaarstaan.
Het is leerzaam om onder leiding van Herreweghe te werken, zegt een van de instrumentalisten na afloop. „Hij is een zeer muzikaal mens, die weet wat hij wil. Soms is hij echter wel wat chaotisch en warrig. Dan verkeert hij in hogere sferen. Hij heeft dan iets in zijn hoofd, maar kan op dat moment niet goed op ons overdragen wat hij nu precies wil.”

Langzame tred
Zo energiek en krachtig als hij achter de lessenaar stond, zo vermoeid en oud oogt Herreweghe als hij even later -lange zwarte jas, soort keppeltje op- met langzame tred naar zijn zwarte Audi loopt. Hij wil het gesprek graag in een restaurant voeren, zodat hij ondertussen kan eten. „Dan hoeft dat niet meer als ik in Brussel kom; kan ik direct door met voorbereiden voor morgen.”
Of hij veel interviews heeft? „Acht per week”, zegt hij met gevoel voor overdrijving.
En dan al die uren in de auto, kriskras door de Benelux. „Dat is het meest vermoeiende van mijn bestaan.” Niet dat hij niks doet, al die tijd achter het stuur. „Dit is mijn persoonlijke studio”, wijst hij rond. „Hier beluister ik opnamen van musici die willen dat ik hen beoordeel.”
In de eetgelegenheid aan de haven is Herreweghe duidelijk een bekende; hij wordt met alle egards begroet.
Als hij even later aan tafel zit, laat hij zijn agenda zien. Die is bijna volledig ingekleurd. „Het Collegium Vocale Gent, deFilharmonie, het Orchestre des Champs-Elysées, La Chapelle Royale: alles heeft een andere kleur. En zoals je ziet, is er de komende maanden maar weinig wit.” Hij werkt zo’n tachtig uur per week. „Ik heb nogal veel energie; ik kan bergen verzetten.”
Ondanks de drukte geniet Herreweghe met volle teugen. „Ik heb een heerlijk leven, fantastisch. Mijn hele leven is muziek.” Van ophouden wil de nu 61-jarige dirigent niet horen. „Ik ga door tot ik erbij doodval.”
Zijn vrouw, de uit Rotterdam afkomstige Ageet Zweistra, kent het leven van een musicus. Ze is een bekende celliste en voert onder andere het Franse Orchestre des Champs-Elysées aan. „Helaas hebben we geen kinderen”, zegt Herreweghe.

Jezuïeten
Philippe groeit op in een „burgerlijk” gezin, waar niet echt veel interesse voor cultuur is. Zijn ouders sturen hem naar school bij de jezuïeten. „Een zeer goede school, wel streng. Maar deze jezuïeten waren mooie mensen.”
Religie speelt een grote rol tijdens de opleiding. „Iedereen was religieus. Alle dagen gingen we naar de mis. Daar heb ik leren zingen in het koor.”
Of hij nu nog gelovig is? „Dat verschilt per periode: op en af. Ik zit nu in een negatieve fase. Ik ben geen vurig katholiek meer; ik geloof nog een klein beetje.” Desondanks is hij blij met zijn godsdienstige achtergrond. „Bij het uitvoeren van geestelijke werken is het van belang dat je kunt aanvoelen waar het om gaat.”
Bij de jezuïeten leert hij ook de cultuur kennen. „Ik heb zeven jaar Latijn en Grieks gehad, retorica kwam ook aan de orde.” Met name de latere bekende auteur Herwig Arts drukt een groot stempel op de jonge Philippe. „Hij organiseerde als docent na de les aparte cultuursessies over schilderkunst, poëzie, muziek. Hij heeft mijn gevoel voor schoonheid aangewakkerd.”
Naast school gaat Philippe „zeer vroeg” naar het conservatorium om piano te studeren: als 7-jarig jochie. Op z’n vijftiende behaalt hij z’n diploma. Intussen krijg hij als 14-jarige bij het jezuïetenkoor het dirigeerstokje in handen gedrukt. „Ik had een zeker talent, denk ik.”
Toch wil hij niet de muziek in. Hij kiest voor de studie geneeskunde en psychiatrie aan de universiteit van Gent, waar hij in 1975 afstudeert als psychiater.

Barokmuziek
Intussen rolt het muzikale balletje verder. Herreweghe richt als student in 1970 een koor op: het Collegium Vocale Gent. Het wordt een succes. „Het waren gewoon vriendinnen bij mij uit de straat, onder wie Dominique Verkinderen, later getrouwd met de Belgische premier Guy Verhofstadt. Toevallig pasten de zangers ongelooflijk goed bij elkaar. Ik had blijkbaar talent om de goede stemmen eruit te halen. Het was en is een fantastische groep.”
Met zijn koor legt hij zich toe op het uitvoeren van barokmuziek op authentieke wijze. Dat wordt bekend bij grootheden op dat terrein als Nicolaus Harnoncourt en Gustav Leonhardt. Zij vragen Herreweghe mee te doen aan een project om alle cantates van Bach uit te voeren. „Een enorme eer. Ik voelde me een snotaap. Maar op deze manier plukten wij de vruchten van de bloei van de oudemuziekbeweging.”
'Vooral Leonhardt noemt Herreweghe met ere. „Hij is een van de beroemdste klavecinisten van de 20e eeuw. Hoe hij Bach speelt, dat grenst aan het ongelooflijke. Hij is mijn meester op het gebied van de oude muziek. De katalysator, mijn muzikale mentor en geestelijke vader.”
Herreweghe gaat verder. In 1977 sticht hij in Parijs het vocaal en instrumentaal ensemble La Chapelle Royale, waarmee hij Franse barokmuziek uitvoert.
Gaandeweg wordt hij een van de sterdirigenten op het terrein van de barokmuziek, in één adem genoemd met John Eliot Gardiner, Harnoncourt, Ton Koopman en Masaaki Suzuki. Zijn oudemuziekproducten verschijnen vooral op het prestigieuze Franse label harmonia mundi.

Omslag
Rond z’n veertigste vindt er echter een omslag plaats. Herreweghe richt het Orchestre des Champs-Elysées op, dat gespecialiseerd is in repertoire uit de romantische en preromantische periode op originele instrumenten. En weer later verbindt hij zich aan het Antwerpse symfonieorkest deFilharmonie, waarmee hij klassieke en eigentijdse muziek uitvoert. In een groots project nam hij met deFilharmonie alle symfonieën van Beethoven op.
„Ik ben in feite als dirigent autodidact. Gaandeweg leerde ik vanuit de oude muziek steeds meer latere muziek kennen. En toen voelde het barokrepertoire alleen ineens te eng. Zo ben ik de orkestwereld binnengerold.”
Hij noemt het „eigenaardig” als je je als dirigent beperkt tot de 18e eeuw. „Bij mensen als Leonhardt, die ik zeer hoog heb staan, houdt de muziek op bij de moderne wereld van na de Franse Revolutie. Dat is dikwijls zeer bekrompen. Zo denkt men in Staphorst, tenminste zoals ik over dat dorp hoor praten. Ik vind zo’n beperkte visie stompzinnig.”
De bloeiperiode van de oude muziek is volgens hem voorbij. „Daar moet je niet in blijven steken. Natuurlijk, Bachs muziek is van zeer grote kwaliteit. En we hebben de edele taak om die te blijven uitvoeren. Maar als je eerlijk bent, doe je niets nieuws als je een cantate van Bach opneemt. Op een bepaalde manier is dat opgewarmde kost.”
Herreweghe wil dan ook niet als puritein te boek staan. „Ik houd van kwaliteit en van een zeer brede blik op de cultuur. Ik wordt geboeid door een bepaalde componist, en dan ga ik er helemaal voor. Ik vlinder zogezegd van bloem naar bloem. Het leven als musicus is al zo’n beperking. Dan wil ik binnen die muziekwereld graag zo veel mogelijk goede muziek leren kennen en uitvoeren. Inderdaad, je kunt niet alles even goed uitvoeren. Als je het maar eerlijk doet en met enthousiasme.”
Hij heeft genoten van het opnemen van de laatste cd met renaissancemuziek van Orlando di Lasso. „Maar ik beleef net zo veel vreugde aan een symfonie van Beethoven. Ik wil enkel muziek maken. En dat bevalt me goed.”
Wie voor hem de grootste componist is? „Ongetwijfeld Beethoven. Die torent hoog uit boven alle andere componisten. Hij was een genie.”

woensdag 28 januari 2009

Orgelcd met werken van C. Ph. E. Bach

Léon Berben heeft een aantal weken geleden een nieuwe cd uitgebracht bij het nieuwe label Misty records. Hij bespeelt het orgel van de Kleine van de Evan-gelische Kirchenge-meinde Eckenhage werken van Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788). Het zou aardig zijn dat Berben ook de andere werken van Carl Philipp Emanuel gaat opnemen. Op deze cd staan inmiddels de helft van de sonaten, en een aanvulling met de fuga's en koraalvoor-spelen zou een aanwinst zijn.
Zie voor het uitvoerige programma van de gespeelde werken de foto van de achterzijde van de cd.
Wanneer u op de foto klinkt wordt deze vergroot.

maandag 26 januari 2009

In het Reformatorisch Dagblad staat het volgende bericht:

Geen Matthäus Passion door geldproblemen

AMSTERDAM – Het Amsterdam Baroque Orchestra & Choir van Ton Koopman heeft een tournee met de Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach geannuleerd.

Het beroemde ensemble kan de tour niet maken als gevolg van geldproblemen. Enerzijds speelt de kredietcrisis een rol, anderzijds het feit dat het ensemble subsidie is misgelopen.
Op 1 april zou de productie onder leiding van oprichter en dirigent Ton Koopman beginnen met een uitvoering in een goeddeels uitverkocht Concertgebouw in Amsterdam. Dit concert gaat eveneens niet door.
Hierna stonden uitvoeringen in Duitsland, Spanje en Italië op het programma. Als gevolg van de internationale kredietcrisis haakte als eerste een Nederlandse sponsor, goed voor twee concerten, af.
„Normaal gesproken had het orkest in zo’n noodsituatie overheidssubsidie kunnen aanwenden om zo’n acuut ontstaan financieel gat te dichten. Maar dit kan niet gebeuren omdat ons vorig jaar een meerjarige overheidssubsidie is ontzegd”, aldus Koopman. Volgens hem was dat om „zuiver bureaucratische redenen.”
De dirigent roept daarom vermogende liefhebbers van klassieke muziek op om het ensemble te helpen. „Het gaat niet om een groot financieel gat in onze jaarbegroting. Het overgrote deel daarvan weten wij namelijk zelf te verdienen. Maar zonder een zekere financiële basissteun is onder meer het draaiend houden van de noodzakelijk organisatie van het ensemble ondoenlijk”, zegt Koopman.
Het Concertgebouw zoekt nog naar een vervangend ensemble voor het concert op 1 april. Mensen die kaarten hebben gekocht voor de uitvoering van die dag, krijgen zo spoedig mogelijk thuis bericht. Mensen die zich niet kunnen vinden in de vervanging kunnen restitutie krijgen, aldus een woordvoerster.
Zij benadrukt dat het Concertgebouw de financiële problemen van het orkest zeer betreurt.


De Telegraaf geeft ook informatie over deze dramatische drooglegging:


Ton Koopman annuleert Matthäus-Passion in het Concertgebouw

„Stoppen kan ik niet”

door THIEMO WIND

AMSTERDAM, Het Concertgebouw heeft nog geen annuleringen binnengekregen ten gevolge van de kredietcrisis, meldde deze krant vier dagen geleden. Maar nu is de eerste afzegging een feit. Ton Koopman zou op 1 april de Matthäus-Passion van Bach dirigeren in de serie Wereldberoemde Barokorkesten. Dit weekeinde heeft hij moeten beslissen de hele tournee af te blazen, inclusief het concert in Amsterdam. Het is geen grap. „De musici zijn zeer aangeslagen”, zegt de dirigent.
Voor Koopman begon de misère toen de Rabobank besloot twee geplande sponsorconcerten in Leiden geen doorgang te laten vinden. De volgende tegenslag kwam uit Spanje, waar de crisis dusdanig om zich heen slaat dat muziekfestivals zwaar worden gekort. Ook in Madrid zijn het Amsterdams Barokorkest & Koor van Koopman plotseling niet meer welkom met de Matthäus. Daardoor is de tournee, die ook naar Duitsland en Italië zou voeren, niet meer rendabel te krijgen.
„Vroeger waren zulke tegenslagen nog wel met subsidie op te vangen”, vertelt Koopman. Maar zoals bekend is hij die ondersteuning van overheidswege sinds 1 januari kwijt. Gerechtelijke stappen tegen deze beslissing zal Koopman niet meer nemen. „De landsadvocaat heeft alles laten dichttimmeren.” De dirigent heeft zijn kantoorpersoneel inmiddels ontslagen, het bestuur is met gebogen hoofd opgestapt. „Als het aan mij ligt, vraag ik nooit meer subsidie aan in Nederland. Daarvoor voel ik me te zeer geschoffeerd. Ik moet toegeven: dit hebben we verloren. Maar ik wil niet als huilebalk bekend staan. De spirit is ongebroken.”

Problemen
Eerder dreigde Koopman desnoods naar Frankrijk te verhuizen, maar dit is door de economische crisis ook geen optie meer. Hij weet te melden dat zijn collega Marc Minkowski daar in de problemen zit. „Positief als ik ben, ben ik nu toch negatiever dan voorheen. Ik vestig mijn hoop op welgestelde Nederlanders die wellicht een financiële basis onder ons ensemble willen leggen.”

zondag 18 januari 2009

Johan Helmich Roman

In 2008 is een fraaie dubbel-cd verschenen, bij Naxos, met werk van de Zweedse componist Johan Helmich Roman (1694-1758), uitgevoerd door musici die deel hebben uitgemaakt van het bekende ensemble Musica Antiqua Köln. Het betreft hier de 12 sonates voor fluit (1727), en worden uitgevoerd door Verena Fischer (traverso), Klaus-Dieter Brandt (cello), en Léon Berben (klave-cimbel), op authentieke instrumenten.

Op de tweede foto ziet u, wanneer u daarop klikt, de gespeelde werken.
De muziek van Roman ligt goed in het gehoor, mede vanwege de mooi drive, en het speelse spel van Fischer, Brandt en Berben. Het is een genot om deze muziek te beluisteren: echte 'Tafelmuziek', die je regelmatig zult draaien.

maandag 15 december 2008

Jos van Velthoven kwarteeuw dirigent

In het Reformatorisch Dagblad van 18 december staat een uitvoerig interview met Jos van Velthoven, de dirigent van de Nederlandse Bachvereniging

Nieuwe wegen met oude muziek

Jaco van der Knijff

Vijfentwintig jaar geleden was hij een redelijk onopvallende dirigent. Maar een kwarteeuw samenwerking met De Nederlandse Bachvereniging maakte dat Jos van Veldhoven (1952) zich vandaag de dag mag rekenen tot de beste dirigenten in het segment oude muziek. Hij is het nog niet zat om steeds weer nieuwe wegen te bewandelen met oude noten.

De Geertekerk in Utrecht ligt er deze dinsdagmiddag ogenschijnlijk verlaten bij. Wie over de drempel van het kerkje stapt, ziet echter dat het anders is. Het sfeervolle gebouw blijkt dienst te doen als repetitieruimte voor de musici van De Nederlandse Bachvereniging, een van Nederlands topensembles.
Banken staan er niet in de kerkzaal. Alleen wat stoelen aan de zijkant. In het midden is een eenvoudig podium gemaakt. Daarop een kistorgel en een tweeklaviersklavecimbel, ervoor zit de fagottist. Rechts vooraan een man met een teorbe, met naast hem twee blazers met een barokhobo. Helemaal vooraan een orgelbank. Voor de dirigent.
Met deze selectie uit z’n barokorkest begint Jos van Veldhoven vanmiddag de repetitie met de solisten. Op de lessenaar staat een van de meesterwerken van de naamgever van het ensemble: het Weihnachts-Oratorium, een verzameling van zes cantates voor de feestdagen rond Kerst.
Zaterdagmiddag is de oefenperiode begonnen, in Amsterdam. Gisteren is het gezelschap naar Utrecht verhuisd. Na de generale repetitie vanavond, waarbij vrienden van de Bachvereniging welkom zijn, moet alles in orde zijn. Morgen beginnen de musici hun reeks concerten in Den Haag, in de Dr. Anton Philipszaal. Om na Haarlem, Tilburg, Arnhem, Naarden, Rotterdam, Antwerpen, Madrid en Utrecht de reeks af te sluiten in de Westerkerk in Amsterdam. Tien concerten in dertien dagen.

Vertrouwen
Van Veldhoven lijkt op geen enkele manier gestrest. Blijkbaar heeft hij er alle vertrouwen in dat de musici hun huiswerk gedaan hebben. En dat vertrouwen wordt niet beschaamd. Als eerste nemen twee solisten vlak voor de dirigent plaats: de Duitse Ulrike Hofbauer (sopraan) en haar landgenoot Sebastian Noack (bas). In alledaagse kleding, voor het oog volkomen relaxed.
Even later klinkt het heerlijke duet ”Herr, dein Mitleid” uit de derde cantate van het oratorium. De lege ruimte van de Geertekerk is meteen gevuld. Wat een krachtige stemmen hebben deze zangers!
Het gaat direct helemaal gelijk. Van Veldhoven -hij communiceert nu in het Duits- heeft dan ook niet zo veel op te merken. „In maat 111 moeten jullie letten op de korte noten. Vooral als we in een kerk optreden moet je die wat overdrijven.”
De zangers mogen zich weer zelf gaan vermaken. Even later is te horen hoe Sebastian Noack in een andere ruimte bezig is loopjes te oefenen. Het schijnt de dirigent niet te deren.
Het is tijd voor de tenor, de Engelsman Charles Daniels. Ogenschijn-lijk nonchalant -broek in z’n sokken- stelt hij zich op. Maar als hij begint met de aria ”Nun mögt ihr stolzen Feinde schrecken” uit de zesde cantate, geeft hij zich direct helemaal over aan de muziek. „Thank you so much”, is de reactie van Van Veldhoven. De tenor is klaar voor vanmiddag.
Intussen druppelen de andere leden van het barokorkest binnen. Ook de laatste solist meldt zich: Matthew White (Canada) zal tijdens de tournee de altpartij voor z’n rekening nemen. Met een fles water in z’n hand neemt hij plaats voor de dirigent.
Even later klinkt zijn hoge, ijle stem met Bachs aria ”Schliesse, mein Herze” uit de derde cantate. De violiste die nu meespeelt moet duidelijk nog even wennen. Ze zit ook ver bij continuospeler Pieter-Jan Belder (kistorgel) vandaan. „Dat is een beetje link”, aldus de dirigent. Maar ook nu heeft Van Veldhoven slechts een enkele opmerking over de uitvoering.
Bij de forse basaria ”Grosser Herr und starker König” is nagenoeg het hele orkest nodig; alleen de stoelen van de paukenist en van de twee bespelers van de hobo da caccia (een jachthoorn) zijn nog leeg. Ook al speelt er nu zestien man mee, de stem van Sebastian Noack is sterk genoeg om verstaanbaar te blijven. Loopjes, trillers, coloraturen: het gaat allemaal even vanzelfsprekend.
Matthew White zit intussen aan de zijkant wijdbeens op de grond, terwijl hij met zijn hoofd de stenen vloer probeert te raken. De rek- en strekoefeningen moeten hem soepel houden. De alt vertelt dat hij speciaal voor dit project over is komen vliegen uit Canada. Hij werkt graag samen met Van Veldhoven. „Hij geeft je de ruimte om jezelf te zijn in de manier waarop je zingt.”
Is het niet moeilijk om in een paar dagen tijd klaar te zijn voor een tournee? "De afspraken zijn twee jaar geleden al gemaakt. Dus wat je moet zingen, weet je al heel lang. En de interpretatie: dat gaat eigenlijk vanzelf. Op het moment dat je hier binnenstapt, voel je aan hoe het moet gaan klinken.”
De Canadees hangt z’n rugtas op z’n rug, zet een petje op en verdwijnt. Pas vanavond moet hij weer aantreden.

Topmusici
Jos van Veldhoven ziet de tournee helemaal zitten, zegt hij na afloop. „Het zijn stuk voor stuk topmusici met wie ik samenwerk. De meesten hebben deze muziek al heel wat keren gezongen, ook in ander verband. Wat in deze oefendagen moet gebeuren, is dat de neuzen dezelfde kant op gaan wijzen.”
Voor hemzelf is de muziek eveneens verre van nieuw. Het Weihnachts-Oratorium hoort samen met Bachs Matthäus Passion en de Johannes Passion tot het kernrepertoire van zijn ensemble. Toch zorgt Van Veldhoven ervoor dat er uitdagingen blijven. Hij staat er zelfs om bekend dat hij als een van de weinige oudemuziekvoortrekkers een pioniersdrift heeft.
De dirigent glimlacht. „Inderdaad is deze uitvoering van Bachs kerstoratorium weer heel anders dan bijvoorbeeld de opname die we in 2002 ervan maakten. Het concept van de kleine bezetting pas ik nu ook op dit werk van Bach toe.”
Hij doelt op zijn geruchtmakende aanpak van onder andere de Matthäus Passion, waardoor een paar jaar geleden een ware muzikale richtingenstrijd losbarstte. Van Veldhoven koos ervoor de Matthäus uit te voeren met slechts twee keer acht zangers, waarbij de solisten ook de koorgedeelten zingen. Volgens hem wordt de muziek daardoor veel transparanter dan wanneer een groot koor en solisten het werk uitvoeren. Inmiddels kregen ook Bachs Johannes Passion en de Hohe Messe zo’n behandeling.
En nu dan het Weihnachts-Oratorium. Als het complete koor er is, zijn ze met z’n twaalven: naast de vier solisten nog twee keer vier zangers. „Het ene kwartet staat daar links achterin, de andere vier staan rechts”, wijst Van Veldhoven. „En dat heeft een heel ruimtelijk effect. Wat ik ook heel belangrijk ben gaan vinden: de solisten zijn zo veel meer geïntegreerd in het geheel, doordat ze alle koorstukken zingen. Hoe vaak zie je niet dat een bas bij de Matthäus Passion soms bijna een uur moet zitten wachten tot hij weer een paar woorden mag zingen? Dat komt de betrokkenheid niet ten goede.”
De pioniersdrift van Van Veldhoven wordt ook duidelijk in de programmering van deze kersttournee. Niet het hele Weihnachts-Oratorium wordt uitgevoerd, maar slechts drie delen ervan: de eerste drie cantates. Ter afwisseling staat het motet ”Fröhlich soll mein Herze springen” van de 17e-eeuwse Duitse componist Johann Crüger op het programma. Ook speelt het orkest, ter inleiding op de derde cantate, een pastorale (herderslied) van Bachs tijdgenoot Johann David Heinichen.

donderdag 4 december 2008

Léon Berben krijgt diapason voor Cabanilles

De organist Léon Berben heeft weer een diapason gekregen voor zijn nieuwste cd met orgelmuziek van Juan Cabanilles. Hij bespeelt het historische orgel van de Saint Martin te Tours.

Diapason
Diapason December 2008 (no. 564)Xavier Bisaro
" Autant dire que par le choix même de son programme, Léon Berben affirme la justesse de ses intuitions et la singularité de son talent, notamment dans sa capacité à assumer le format de cette musique (la plupart des tientos sont longs et exigeants) en maintenant une qualité de jeu et de concentration sans faille. "
"La production pour orgue de Cabanilles est riche en nombre et en qualité, diversifiée, apte à mettre en valeur les plus beaux instruments espagnols, et malgré cela bien rare au disque : peu de nouveautés concluantes sont apparues depuis l'enregistrement superbe de Willem Jansen (Hortus, Diapason d'or). Autant dire que par le choix même de son programme, Léon Berben affirme la justesse de ses intuitions et la singularité de son talent, notamment dans sa capacité à assumer le format de cette musique (la plupart des tientos sont longs et exigeants) en maintenant une qualité de jeu et de concentration sans faille.Déjà saluée à l'occasion d'un disque Byrd (Diapason d'or, cf. n° 552), sa maîtrise technique est évidente : diminutions fluides, tierces parallèles de main droite articulées, toucher contrôlé au point que les chamades parlent sans aucune bavure. L'instrument contribue également à la réussite du projet ; depuis le profond flautado (un principal ample et très polyphonique) jusqu'au llenos et autres mélanges de mutations dont Berben sait parfaitement doser lescomposantes, toutes les saveurs de l'orgue espagnol sont déclinées dans les limites (jamais perceptibles !) d'un clavier unique à octave courte. Berben met à jour les sources multiples du style de Cabanilles, à la fois familier (dans son ordonnancement polyphonique) et déroutant (pas seulement par les registrations rauques des quiebros), instrumental (par sa virtuosité) autant que vocal (par son introduc-tion d'orne-ments empruntés au stile nuovo en provenance de l'Italie). Ces éléments sont fondus dans un ensemble d'une grande cohérence, et c'est par sa capacité à unir la polyphonie, mère de toutes les musiques d'Amsterdam jusqu'à Naples, et ses inflexions locales que Berben renoue certainement avec l'esprit qui anima Froberger et les autres claviéristes voyageurs du xvne siècle. Aussi curieux et respectueux que ces aînés de la différence apprise grâce à la rencontre musicale, Léon Berben marche pour notre plus grand bonheur à leur suite."
Xavier Bisaro (Diapason n° 564, décembre 2008)
TECHNIQUE: 8,5/10 TECHNIQUE SACD : 9/10Instrument large, avec du relief, très intégré dans l'acoustique du lieu. Très beaux timbres et grande dynamique.

http://www.aeolus-music.com/ae_en/all_discs/ae10671_cabanilles_barbera_joan_baptiste_josep_tientos_pasacalles_y_gallardas

Alle vocale werken van Sweelinck op cd



In het Reformatorisch Dagblad van 1 december stond een artikel over het nieuwe project van alle vocalewerken van Sweelinck

Monument voor ”meester Jan”

Jaco van der Knijff


Hij is de beroemdste componist die Nederland voortbracht. Toch is er voor Jan Pieterszoon Sweelinck nooit echt een monument opgericht. Daarin komt nu verandering. Het eerste deel van de uitgave van de complete vocale werken van ”meester Jan” is onlangs gepresenteerd.
Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) geniet tegenwoordig vooral bekendheid vanwege zijn muziek voor klavecimbel en orgel. Zo werd bijna zeven jaar geleden de eerste volledige opname van zijn klavierwerken op negen cd’s uitgegeven.
Sweelincks oeuvre van vocale muziek, dat veel omvangrijker is, bleef echter tamelijk onbekend. Fascinerend: dat was aan het begin van de 17e eeuw precies andersom. De klaviermuziek vond nagenoeg alleen aftrek in een kring van collega’s en leerlingen en is ook alleen in overschrijvingen overgeleverd, terwijl de vocale muziek van de Amsterdamse musicus gewoon in de winkel te koop was, in geautoriseerde boeken.
Na Sweelincks dood in 1621 is alles gewoon verdwenen, zegt Harry van der Kamp, motor achter het Sweelinckproject. „Niemand weet wat er nadien met de muziek is gebeurd. Wij zijn daar niet goed mee omgegaan. Onvoorstelbaar!” Alleen in het buitenland zijn nog wat sporen van Sweelincks vocale oeuvre te traceren.Hij is de beroemdste componist die Nederland voortbracht. Toch is er voor Jan Pieterszoon Sweelinck nooit echt een monument opgericht. Daarin komt nu verandering. Het eerste deel van de uitgave van de complete vocale werken van ”meester Jan” is onlangs gepresenteerd.
Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) geniet tegenwoordig vooral bekendheid vanwege zijn muziek voor klavecimbel en orgel. Zo werd bijna zeven jaar geleden de eerste volledige opname van zijn klavierwerken op negen cd’s uitgegeven.
Sweelincks oeuvre van vocale muziek, dat veel omvangrijker is, bleef echter tamelijk onbekend. Fascinerend: dat was aan het begin van de 17e eeuw precies andersom. De klaviermuziek vond nagenoeg alleen aftrek in een kring van collega’s en leerlingen en is ook alleen in overschrijvingen overgeleverd, terwijl de vocale muziek van de Amsterdamse musicus gewoon in de winkel te koop was, in geautoriseerde boeken.
Na Sweelincks dood in 1621 is alles gewoon verdwenen, zegt Harry van der Kamp, motor achter het Sweelinckproject. „Niemand weet wat er nadien met de muziek is gebeurd. Wij zijn daar niet goed mee omgegaan. Onvoorstelbaar!” Alleen in het buitenland zijn nog wat sporen van Sweelincks vocale oeuvre te traceren.

Hier en daar is in Nederland de achterliggende jaren wel een begin gemaakt met het opnieuw onder de aandacht brengen van Sweelincks vocale muziek. Dirigent Jan Boeke deed dat bijvoorbeeld in de jaren zeventig met het kamerkoor Cappella Amsterdam. En het Nederlands Kamerkoor beijverde zich er in de jaren tachtig voor Sweelincks muziek op de kaart te zetten. Detail: bij beide koren was Harry van der Kamp als zanger (bas) betrokken.
Het was volgens Van der Kamp de hoogste tijd om Sweelinck eens echt goed neer te zetten. Met zijn Gesualdo Consort Amsterdam -zeven zangers: twee vrouwen, vijf mannen- begon hij aan een titanenklus: zestien cd’s vol zingen met de kleurrijke, polyfone muziek van de Amsterdamse Orpheus.
Het eerste deel mag er zijn. In een prachtig uitgevoerd boekje biedt Van der Kamp niet alleen drie cd’s met Sweelincks wereldlijke werken, maar krijgt de koper ook alle teksten van de Franse chansons en rimes en de Italiaanse rimes en madrigalen, plus vertaling. Daarnaast bevat de uitgave achtergrondartikelen van de hand van onder anderen Van der Kamp en Sweelinckspecialist Pieter Dirksen.
Inmiddels is het Gesualdo Consort een heel eind op weg met deel II in de serie: Sweelincks magnum opus, de 153 psalmmotetten, op elf cd’s. Het resultaat moet eind volgend jaar op de markt komen. Dan rest nog deel III, waarin op twee cd’s de zogenaamde ”Cantiones sacrae” van Sweelinck -37 Latijnse motetten- een plek krijgen. Het Sweelinck Monument moet najaar 2010 zijn opgeleverd.

Fit genoeg
Aan deze tafel repeteren we altijd, wijst Harry van der Kamp (1947) in zijn muziekkamer thuis in Almere-Haven. „Voor de opnames gaan we naar het kerkje van Renswoude. In drie dagen tijd nemen we dan zo’n zestig minuten op. Tijdens de laatste sessie waren dat negentien psalmen.”
Hoe houdt hij de zangers fris? „We nemen pas op als we er fit genoeg voor zijn. Je moet zoiets nooit doordrukken, dat hoor je direct. Maar alle zangers zijn zeer gemotiveerd. Iedereen ziet het belang van dit project in. En steeds weer worden we geraakt door de schoonheid van Sweelincks muziek.”
Volgens Van der Kamp, die als bassolist internationale bekendheid geniet, is het zingen van Sweelinck in kleine bezetting heel lastig. „Je zingt voortdurend a capella, en dat is heel zwaar. Het is ook iets wat op conservatoria nauwelijks aandacht krijgt. Als zanger moet je enerzijds solist zijn, maar anderzijds moet je je onderwerpen aan de groep. Dat kunnen maar weinigen.”
Het Gesualdo Consort Amsterdam staat bekend vanwege zijn specialisatie in 16e- en 17e-eeuwse madrigalen (meerstemmige wereldlijke liederen) van Italiaanse componisten als Carlo Gesualdo, Monteverdi en Scarlatti. Sweelinck staat met zijn composities helemaal in die lijn, aldus Van der Kamp. „Er is maar een klein aantal echte madrigalen van hem overgeleverd, maar zijn psalmcomposities zijn in feite spirituele madrigalen.”
In vergelijking met componisten als Claude Goudimel en Louis Bourgeois, die in de 16e eeuw ook meerstemmige motetten bij de psalmen maakten, zijn Sweelincks composities veel figuratiever, zegt Van der Kamp. „We staan hier aan deze tafel soms versteld van de staaltjes componeerkunst die Sweelinck ten beste geeft. De stemmen krioelen door elkaar en buitelen over elkaar heen. Vier-, vijf-, zes-, zeven- of achtstemmig. Buitengewoon creatief!”
Sweelinck stond hiermee in zijn eigen tijd op redelijk eenzame hoogte, stelt de zanger. Hij komt wat hem betreft in de buurt van Orlando di Lasso (1532-1594), die gezien wordt als de grootste motetcomponist van die tijd. Aarzelend: „Ja, ik zie Sweelinck wel op dezelfde hoogte staan als Lassus.”
Wat zijn kracht is? „Je wordt steeds weer verrast door het volmaakte van zijn muziek. Het is zo fantastisch geharmoniseerd. Hij hanteert een vrij strak systeem, maar daarbinnen geeft hij een maximum aan expressiviteit. De verschillende stemmen reageren voortdurend op elkaar met imiterende thema’s. Om naar deze muziek te leren luisteren, moet je eigenlijk één stem kiezen en die helemaal volgen. Fantastisch!”

Stroomversnelling
Van der Kamp is van huis uit wel vertrouwd met de psalmen, maar helemaal niet met Sweelinck. In Kampen kwam hij ter wereld, ging hij naar de hervormde gemeente en bezocht hij de school. Van der Kamp kreeg pianoles en zong wel eens als jongenssopraan.
Tijdens zijn studie psychologie en rechten aan de VU raakte de muziekbeoefening echter in een stroomversnelling. In het VU-koor maakte hij kennis met allerhande vocale muziek. Vervolgens was het Bernard Winsemius die hem en anderen overhaalde te gaan zingen in het Cappella Amsterdam van Jan Boeke, dat net was opgericht.
En daar stond Sweelinck op het programma. „Boeke liet me op een dusdanige indrukwekkende manier met deze muziek kennismaken, dat deze vocale werken mijn zangersleven nooit meer hebben verlaten”, aldus Van der Kamp. Hij heeft het Sweelinckmonument dan ook opgedragen aan Jan Boeke (1921-1993). Diens weduwe kreeg op 9 november het eerste exemplaar van deel I overhandigd.


Zuoz
Niet alleen is Van der Kamp gefascineerd door de muziek van Sweelinck, ook vindt hij het heerlijk om te speuren naar de achtergronden ervan. Zo ontdekte hij zeer onlangs welke editie van de Franse psalmen Sweelinck gebruikte. „Men ging er altijd van uit dat hij gewoon het Geneefse Psalter uit 1562 hanteerde. Maar toen ik de teksten ging vergelijken, bleken er nogal wat verschillen te zijn.”
In de nalatenschap van de eerder dit jaar overleden Gert-Jan Buitink uit Brasschaat (België), een verwoed verzamelaar van psalmbundels, vond Van der Kamp een editie van het Franse Psalter die in 1587 in Genève is uitgegeven. „En dat zijn precies de teksten die Sweelinck bij zijn muziek zette. Die bundel moet in die tijd onder Franssprekenden in Amsterdam in gebruik geweest zijn.”
Zijn zoektocht leidde hem afgelopen zomer ook naar het Zwitserse vakantiedorpje Zuoz. „Terwijl in Nederland niet een van Sweelincks composities is teruggevonden, liggen in Zuoz de complete vier psalmboeken die Sweelinck tussen 1604 en 1621 uitgaf. Toen ik erom vroeg bij het gemeentehuis, kwam een van de mensen er zo mee aanlopen, onder z’n arm. Zonder handschoentjes of iets kon ik ze vrij inkijken en doorbladeren. Onbegrijpelijk!”
Hoe Sweelinck in Zuoz terechtkomt? „In die tijd maakte het Nederlandse leger nogal eens gebruik van buitenlandse soldaten. Ook in Zuoz werden mannen gerekruteerd om te vechten voor Oranje. Een van die soldaten moet op de terugreis Sweelincks psalmboeken hebben meegenomen. Bekend is dat tot in de 19e eeuw in Zuoz Sweelincks meerstemmige psalmen gezongen zijn.”

Mede n.a.v. ”Het Sweelinck Monument - Complete Vocale Werken deel I - De Wereldlijke Werken”, door Harry van der Kamp (eindred.); uitg. Glossa, San Lorenzo de El Escorial, 2008; ISBN 978-84-612-7000-2; 103 blz. + 3 cd’s; € 45,-; bestellen: jpsweelinck.nl.

donderdag 13 november 2008

Cultuur wordt bedreigd

In het NRC van 15 november jl. staat een verontrustend interview met Ton Koopman:

‘Ik voel mij ongelooflijk vernederd’

Ontslagen, minder concerten, verlies aan prestige, onbegrip in de rest van de wereld. Dat zijn voor Ton Koopman de gevolgen van verlies van subsidie.

Door onze redacteur Kasper Jansen

Amsterdam, Vorige week ontsloeg dirigent Ton Koopman vijf personeelsleden van zijn Amsterdam Baroque Orchestra & Choir, nadat het Fonds voor Podiumkunsten hem een subsidie had geweigerd. De afgelopen vier jaar kreeg hij 336.013 euro per jaar, op 1 januari 2009 stopt dat.
Het Fonds vindt dat het Amsterdam Baroque Orchestra door toegenomen concurrentie aan artistieke meerwaarde heeft ingeboet en niet langer een onaantastbare uitzonderingspositie heeft. Ook mist het Fonds een overtuigende langetermijnvisie en is het cultureel ondernemerschap zwak.
Op het ogenblik geeft de wereldberoemde Ton Koopman in Parijs concerten en masterclasses.

Hoe gaat het nu verder met uw orkest en koor?
„Met het orkest en het koor gaat het niet goed. Vijf ontslagen is een hard gelag, die medewerkers werden uit de subsidie betaald. Dat we geen subsidie meer krijgen is schandalig. We zijn in beroep gegaan bij een commissie van het Fonds. Onze advocaat Jan de Koning heeft ontdekt dat het Fonds zich ten onrechte niet heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Je moet àlles proberen.”

Het lijkt onwaarschijnlijk dat u wint. In de Tweede Kamer was er geen steun voor u, ondanks de brief van ‘staatslieden en prominenten’.

„Het is heel gek dat de minister de verantwoordelijkheid voor subsidies weggeeft aan het Fonds. Dat is de democratie op een zijspoortje zetten, daarvan zijn wij de dupe. Ik heb voor de Kamervergadering nog gepraat met directeur Lawson van het Fonds, minister Plasterk, het CDA en de CU. Lawson zegt dat zakelijke overwegingen boven het artistieke kunnen gaan. Plasterk zegt: „We hebben Bachvereniging, de Holland Baroque Society.” Het CDA en de CU begrepen er niets van, maar in de Kamervergadering hebben ze dat niet gezegd.”

Gaat u het orkest opheffen? En hoe is het met de plaatprojecten?
„Het orkest wordt niet opgeheven, maar gaat zeker minder doen. Ik kan alleen dingen waarop ik geen verlies lijd. We praten met het ministerie over de toekomst. We zitten nu in een desastreuze fase, maar concerten in de ZaterdagMatinee, in Turijn en Nantes gaan we niet afgelasten. Er zijn financiële problemen met de Matthäus Passion. De plaatprojecten staan financieel los van het orkest, dat moest van het ministerie: geen subsidie voor platen. Daarvoor zoeken we altijd sponsoring. Het is nu een slechte tijd.”

Hoe voelt u zich?
„Ik voel me ongelooflijk vernederd, dat mij dit na een toch redelijk leuke carrière wordt aangedaan. Je land laat je in de steek. Ik heb dit niet verdiend, ik heb het orkest dertig jaar geleden opgericht en het is mijn kindje.
„Maar verder mag ik persoonlijk niet klagen. Ik ben voor drie jaar in Cleveland benoemd als vaste gastdirigent voor het barokrepertoire, volgende maand dirigeer ik het New York Philharmonic Orchestra. Ik doe nu in Parijs een carte blanche-serie in de Cité de la Musique met uitverkochte zalen. In interviews moet ik van alles uitleggen. Iemand zei dat het een criminele daad is. Maar hierna gaan we weer subsidie aanvragen. En misschien staat er toch nog een sponsor op om ons te redden.”

dinsdag 30 september 2008

Over een aantal maanden in concert

Leon Berben achter de speeltafel van de Sint Nicolaas of Bovenkerk te Kampen. Op donderdag 30 juli 2009 hoopt hij een concert te geven op dit fraaie orgel, met werken van Johann Sebastian Bach, Carl Philip Emmanuel Bach en Felix Mendelsshoh-Bartholdy.
Onlangs zijn twee nieuwe cd's van Leon Berben uitgebracht bij het merk Aeolos.

vrijdag 30 mei 2008

Gustav Leonhardt 80 jaar

In het Reformatorisch Dagblad staat een interview met de tachtig jarige Gustav Leonhardt:

Er lag een baan als directeur in het zakenleven voor hem klaar. Toch koos Gustav Leonhardt voor een loopbaan als specialist op het terrein van de oude muziek. Vrijdag bereikte de internationaal bekende organist, klavecinist en dirigent uit Amsterdam de 80-jarige leeftijd. „Als ik één ding geprobeerd heb níét te worden, is het een bekende Nederlander.”.*?){32})#is -->
Amsterdam, Herengracht. Vlak bij de kruising met de Raadhuisstraat buigt de gracht licht af. Precies in de knik, tegenover de Driekoningenstraat, rijst een statig grachtenpand op: Huis Bartolotti.
Het pand is meegebouwd met de bocht van de gracht. Twee spreuken sieren de gevel. De cartouche op het linkerpaneel vermeldt: ”Ingenio et Assiduo Labore” (door vernuft en noeste vlijt), het rechterpaneel bevat de tekst: ”Religione et Probitate” (door religie en rechtschapenheid). Boven de derde verdieping bevindt zich een fraaie trapgevel, versierd met pilasters, vazen, luiken en maskers.
Een bordje op de muur vertelt dat Huis Bartolotti in 1618 is gebouwd voor een van de rijkste Amsterdamse zakenmannen uit die tijd. Het pand is het best bewaarde voorbeeld van de Hollandse renaissancestijl aan de Herengracht.
Hier woont Gustav Leonhardt, samen met zijn vrouw Marie. De 80-jarige éminence grise -grijs haar, correct gekleed- komt zijn bezoek in de lange marmeren gang in de verte tegemoet. Hij gaat voor naar een groot vertrek aan de rechterkant van de gang. Zijn gebruikelijke ontvangstzaal? „Eh, gewoon een kamer”, reageert de musicus gedecideerd.
De riante stijlkamer ademt een 18e-eeuwse sfeer. Aan de wand schilderijen, langs de muur oude dressoirs, een enorme kroonluchter aan het plafond. Bij het raam, dat uitzicht biedt op een grote binnentuin met beelden, buxushaagjes en grindpaadjes, staat een klavecimbel dat duidelijk veel bespeeld wordt. In de hoek huist een kleiner toetsinstrument, een virginaal, dat ogenschijnlijk minder vaak wordt aangeraakt.
Het rumoer van de Amsterdamse binnenstad is nauwelijks hoorbaar in deze stijlkamer. Hier kan Leonhardt, al jaren specialist op het gebied van de oude muziek, zich ongestoord onderdompelen in de wereld van de 16e, 17e en 18e eeuw. „Het is verrukkelijk om hier te wonen”, reageert hij. „Een rustige wereld te midden van het rumoer en de vulgariteit die in Amsterdam zijn opgehoopt.” De Leonhardts bewonen overigens slechts een deel van het pand. „Zo’n 700 vierkante meter.”
Of de musicus zijn leven en werk getypeerd weet door de twee spreuken die buiten op de gevel prijken? „Uitstekend. Hoewel, het zijn natuurlijk woorden van een zakenman. Dat ben ik niet. Ik ben slechts uitvoerend musicus, een tussenhandelaar zogezegd. Ik heb dan ook niet zo veel te vertellen. Het enige wat je als uitvoerend musicus doet, is het werk van anderen zo goed en getrouw mogelijk vertolken. Als dat voorbij is, is het uit. Het tragische is dat in de muziekwereld de uitvoerenden zo vaak worden bejubeld. Terwijl het de composities zijn die de eeuwen verduren.”
Leonhardt heeft naar eigen zeggen dan ook nooit naar bekendheid gestreefd. „Als ik één ding geprobeerd heb níét te worden, is het een bekende Nederlander. Ik moet er niet aan denken dat ik op straat door iedereen herkend zou worden. Ik ben tevreden met de kleine groep kenners en liefhebbers om me heen.”
Hoewel de tussenhandelaar vandaag de leeftijd van de zeer sterken bereikte, is het voor hem nog niet uit. De musicus geeft als klavecinist, organist en dirigent nog tal van concerten, over de hele wereld. De dag voor het gesprek concerteerde hij in Spanje, de dag erna moest hij weer in Oostenrijk zijn. „Als musicus ben je altijd afhankelijk van mensen die je uitnodigen om een concert te komen geven. Ik ben dankbaar dat er nog steeds mensen zijn die me graag horen spelen”, zegt hij bescheiden.
Gustav Leonhardt wordt op 30 mei 1928 in ’s-Graveland, bij Hilversum, geboren. Zijn vader is directeur van een familiebedrijf, een waterleidingfirma die in het midden van de 19e eeuw het water vanuit de duinen naar Amsterdam bracht. „Als je de kraan opendraait, heb je het water dat daaruit komt te danken aan mijn familie.”
Het ligt voor de hand dat de jonge Gustav, een van de drie kinderen, in de voetsporen van zijn vader zal treden. „Het was een gespreid bedje. Ik had op jonge leeftijd directeur van de firma kunnen zijn.”
De muziek en de oorlog gooien echter roet in het eten. „Hoewel mijn ouders geen musici waren, waren ze wel heel muzikaal. Wij kregen als kinderen dan ook allemaal muziekles. De een speelde viool, de ander fluit, en ik was als vanzelfsprekend de toetsenman.”
Zijn ouders blijken een puriteinse visie op muziek te hebben als ze rond 1935 in Duitsland een klavecimbel aanschaffen. „Dat was vóór de Tweede Wereldoorlog heel ongewoon. Maar mijn ouders vonden dat muziek van Bach en Händel en Telemann niet op de piano gespeeld moest worden.”
Als gezin maken de Leonhardts samen veel muziek. „Elke avond. En daarbij speelde ik braaf maar zonder enthousiasme op het klavecimbel.” Dat verandert in het laatste jaar van de oorlog. „Het was de tijd dat alles ophield, ook de school. Eigenlijk moesten mijn broer en ik in Duitsland gaan werken, maar dat wilden we niet. Dat betekende dat we niet meer op straat konden komen. Hele dagen zaten we thuis in onze villa in het Gooi. Steeds zat er iemand op een stoeltje bij het raam op de uitkijk.”
In die tijd ontdekt Gustav het klavecimbel. „Ik kwam helemaal in de greep van het instrument. Ik speelde vooral oude muziek, met name Bach. En als 16-jarige puber wist ik het ineens heel zeker: ik wil de muziek in.”
Als de oorlog voorbij is, moet Gustav van zijn ouders echter eerst het gymnasium afmaken. „Heel terecht natuurlijk. Maar ik vond het verschrikkelijk! De oude muziek en vooral Bach waren m’n één en al. In die tijd dweepte ik met Bach.” Glimlachend: „Ja, ik was echt een dwepertje.”
Als hij zijn middelbare school afgerond heeft, mag Gustav dan toch van zijn ouders -zij het dat ze bleven aarzelen- muziek gaan studeren. Omdat hij zich in de oude muziek wil specialiseren, vertrekt de 18-jarige naar de Schola Cantorum in Bazel. „Dat maakte diepe indruk. Je verlaat een arm en kapot geschoten land en je komt in een land waar niets kapot is. Een land van melk en honing.”
Na zich drie jaar lang in Zwitserland bekwaamd te hebben op het gebied van orgel en klavecimbel, gaat Leonhardt verder naar Oostenrijk. „Mijn ouders waren nog steeds sceptisch over mijn toekomst. Ze wilden me nog een jaar studie geven, om een dirigentenopleiding te volgen.”
Daar komt het echter nauwelijks van. „Ik heb in dat jaar dagelijks van acht tot zes in de nationale bibliotheek gezeten, een van de grootste op muziekgebied. Ik schreef alles over: oude partituren, traktaten, noem maar op. Ik heb de stapels nog steeds liggen.”
Intussen wordt Leonhardt opgemerkt door de directeur van de Weense Musikhochschule, die hem een professoraat aanbiedt. Drie jaar lang doceert hij klavecimbel aan het muziekinstituut. „Voor m’n ouders een pak van het hart.”
Holland is hij intussen niet vergeten. „Ieder jaar met Kerst en in de vakantie reisde ik weer naar huis.” Holland is Leonhardt ook niet vergeten, want in 1953 ontvangt deze een aanstelling als docent klavecimbel aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam. Hij zal daar jaren blijven lesgeven.
In die tijd rijst zijn ster in binnen- en buitenland. Als musicoloog verwerft hij internationaal faam als specialist op het gebied van de oude muziek. Op meer dan 200 platen en cd’s legt hij zijn vertolking van vooral de muziek van Bach vast: klavecimbel- en orgelwerken, maar ook vocale composities. In 1968 speelt Leonhardt zelfs de rol van Bach in de film ”Chronik der Anna Magdalena Bach” van Jean-Marie Straub.
Wat hij met Bach heeft? „Bach is de grootste componist die er ooit geweest is. Zijn muziek is ongelooflijk veelzijdig, interessant, intelligent. Gecompliceerd ook. Zijn composities zijn een lust om te zien. Ongelooflijk knap! Wat daar het geheim van is? Als we dat eens zouden weten! Alle goede dingen in het leven zijn een geheim. Daar is geen recept voor te geven.
Overigens gaat het me vooral om zijn muziek. Zijn persoon vind ik helemaal niet interessant. Misschien is het wel een heel vervelende man geweest. Er zijn zo veel grote kunstenaars te noemen die slecht en onbetrouwbaar waren, terwijl hun creaties subliem zijn. Ik heb wel eens gezegd: Zoals boosdoeners slechts voor een korte tijd kwaaddoeners zijn, zo zijn kunstenaars slechts gedurende korte ogenblikken een bijzonder mens.”
Leonhardts vrouw Marie, een Zwitserse, volgt hem al jaren in zijn specialistische carrière. „Zij is een uitstekend professioneel violiste. Bij de opnames van de cantates van Bach was ze als eerste violist altijd de concertmeester.”
Van de drie kinderen die het echtpaar kreeg, is echter niemand in het spoor van vader gegaan. „Ach ja. Ik ben in ieder geval blij dat ze allemaal van muziek houden. We hebben ook nooit van ze verwacht dat ze de muziek in zouden gaan.” Aarzelend: „Mijn vrouw en ik zijn door de muziek altijd veel weg geweest. Misschien hebben de kinderen haar als concurrent ervaren.”
Inmiddels woont het echtpaar Leonhardt al meer dan vijftig jaar in het centrum van Amsterdam, sinds het begin van de jaren ’70 aan de Herengracht.
Hoe loopt iemand die hele dagen ondergedoken is in de wereld van de oude muziek door Amsterdam? „Het is natuurlijk een oude stad, dus er is ongelooflijk veel om naar te kijken. Er staan hier nog zo’n 7000 huizen en gebouwen uit de 17e en 18e eeuw. Daar haal ik mijn hart aan op. Helaas is zo’n 95 procent van deze monumenten verminkt. Monumentenzorg vindt dat echter prachtig. Het is volgens hen sociologisch interessant om te weten hoe men in de 19e eeuw aankeek tegen oude gebouwen. Terugrestaureren naar de oorspronkelijke staat mag niet. Ze verbieden het goede! Ja, ik heb de pik op Monumentenzorg.” Relativerend: „Het is iets van de laatste tien, vijftien jaar. Het zal wel weer goed komen. Alles voltrekt zich in golfbewegingen.”
Hebt u de Amsterdamse maatschappij de achterliggende vijftig jaar zien veranderen? „Ja. Vroeger had je veel meer zuiltjes. Alles bestond gewoon naast elkaar, ieder had z’n eigen religie. Dat was al eeuwen zo. Ik ben er altijd een beetje trots op dat de rooms-katholieken in ons land nooit vervolgd zijn, ook al waren ze een minderheid. Zuilen zorgen er nog steeds voor dat de boel bij elkaar gehouden wordt. Kijk naar de biblebelt. Die vormt een basis van kracht in Nederland.
Maar hier in Amsterdam zie je dat de maatschappij uiteengevallen is. Ieder doet wat goed is in zijn ogen. Je smijt alles zomaar weg, je rijdt gewoon door rood licht. En de gemeente holt, nee krúípt achter de feiten aan.”
En de integratieproblematiek? „Hmm. Laat duidelijk zijn: geen enkele burger mag het recht in eigen hand nemen. Maar een multiculturele samenleving ís natuurlijk geen samenleving. Het is een opeenhoping van mensen en culturen die langs elkaar heen leven.”
Theo van Gogh? „Vooropgesteld: iedere moord is iets verschrikkelijks. Maar ik vond Theo van Gogh een afschuwelijke figuur. Zo iemand verdient een afstraffing. Natuurlijk niet dat-ie vermoord wordt. Maar wat je ziet, is dat hij een held wordt. Omdat hij zogenaamd stond voor de vrijheid van meningsuiting.” Fel: „Ik vind dat zó belachelijk! Deze man maakte juist voortdurend misbruik van die vrijheid. En waar blijven we dan? Dan kun je doen wat je wilt. Er zijn limieten.”

dinsdag 19 februari 2008

Groninger orgelland

In het Reformatorisch Dagblad van gisteren stond een informatief artikel over het Groninger orgelland:

Stralende Sesquialter in Midwolde

Kees Karels en Jaco van der Knijff

Van Middelbert via Eenum, Krewerd, Usquert en Pieterburen naar Midwolde. Een dagtocht langs zes Groninger orgels is een zoektocht: naar het sleuteladres, naar de steile orgeltrap, naar de schakelaar van de windvoorziening. Maar ook een zoektocht naar de zuiverste klank.In Groningen is het mistig, deze dag. Jammer, want daardoor mis je veel van de pracht van het landschap. Extra genieten dan maar van de culturele schoonheid hier in het hoge noorden. En die is er genoeg. Vooral als het gaat om de talloze kerken en kerkjes die zich hier bevinden.De ”Orgelgids” die de Stichting Oude Groninger Kerken onlangs uitgaf (zie onder), biedt de mogelijkheid veertien van de vijftig orgels die de stichting beheert, te bespelen. Zes op één dag, dat moet kunnen. Waarbij we afspreken dat er vandaag een top zes van de te bespelen instrumenten moet ontstaan.
Om halfnegen vissen we in Middelbert, net boven Groningen, de sleutels van kerk en orgel uit de brievenbus bij het contactadres. In het kerkje hangt een fraai ogend instrument van Wilhelm Timpe uit 1822; twee klavieren, aangehangen pedaal. Bij de speeltafel is er even onduidelijkheid: de toetsen kunnen niet ingedrukt worden. Onder de klavieren blijken vergrendelaars te zitten. Sommige registers, zoals de Holpijp, zitten vast en werken niet. Misschien moet de organisatie dat even aangeven voordat mensen dingen kapotmaken.
We zijn het erover eens: de Timpe is alleraardigst. De strijkers van het bovenwerk zijn mooi, de fluiten ook. De Trompet is nog redelijk zuiver, ondanks de kou. Voor een 19e-eeuws orgel is de klank heel helder.
Idyllisch Zo’n 20 kilometer verderop ligt Eenum. Een prachtig dorpje, idyllisch. Hier staan 42 huizen en wonen 100 mensen. Het kerkje ligt schitterend op het hoogste punt van de wierde (heuvel), omgeven door weilanden met schapen. Wat een rust! Om halfnegen vissen we in Middelbert, net boven Groningen, de sleutels van kerk en orgel uit de brievenbus bij het contactadres. In het kerkje hangt een fraai ogend instrument van Wilhelm Timpe uit 1822; twee klavieren, aangehangen pedaal. Bij de speeltafel is er even onduidelijkheid: de toetsen kunnen niet ingedrukt worden. Onder de klavieren blijken vergrendelaars te zitten. Sommige registers, zoals de Holpijp, zitten vast en werken niet. Misschien moet de organisatie dat even aangeven voordat mensen dingen kapotmaken.
We zijn het erover eens: de Timpe is alleraardigst. De strijkers van het bovenwerk zijn mooi, de fluiten ook. De Trompet is nog redelijk zuiver, ondanks de kou. Voor een 19e-eeuws orgel is de klank heel helder.

Idyllisch
Zo’n 20 kilometer verderop ligt Eenum. Een prachtig dorpje, idyllisch. Hier staan 42 huizen en wonen 100 mensen. Het kerkje ligt schitterend op het hoogste punt van de wierde (heuvel), omgeven door weilanden met schapen. Wat een rust!
Gastvrij zijn ze hier ook. Mevrouw Brik loopt even mee, schenkt koffie en wijst ons de weg in de kerk. Nog maar één keer per maand wordt hier dienst gehouden, vertelt ze. Het psalmbord is niettemin duidelijk: „Blied dat Joe der binn’n.”
Getuige het gastenboek genoten anderen eerder van dit kerkje. „Wat een charmante kerk; tovert een glimlach op mijn gezicht”, schrijft iemand. Niet alleen het kerkje is charmant, ook het orgel (1704, één klavier, aangehangen pedaal) imponeert direct. De bovenste helft van het front is typisch Schnitger; je herkent er zo Sneek of Zwolle in.
Het instrument klinkt als een klok: wat een glasheldere klank! Of je nu alleen de Holpyp 8’ pakt, of een plenum opentrekt, het klinkt allemaal even mooi. Het is wel oppassen geblazen. Het korte klaviertje lijkt in de bas op een E te eindigen, maar het is een C; de As en de Ges blijken de E en de D te zijn. Het is ook algauw duidelijk dat niet alle muziek op dit instrument gespeeld kan worden. Vanwege de zogenaamde middentoonstemming klinkt een bewerking van Bach in vier mollen absoluut niet. En septiemakkoorden zijn echt uit den boze. Psalm 140 van Sweelinck, ja dat gaat goed. En de Spielstücke van Distler ook.
Of we in Eenum komen wonen, vraagt mevrouw Brik. Er staat momenteel een huis te koop. „En er is hier niemand werkloos.” Je zou het bijna doen. Vanwege de rust. En vanwege de Schnitger. Vooralsnog staat dit instrument boven aan onze top zes.

Vertrouwen
De sleuteldraagster in Krewerd, tien minuten verderop, woont op 1,5 kilometer afstand van de kerk, in de middle of nowhere. Ze gaat niet mee, maar geeft ons in vertrouwen een viertal sleutels mee.

Daar loop je dan in een kerk uit 1280, met een van de oudste nog bespeelbare orgels in Nederland. Het orgel uit 1531 (bouwer onbekend) staat op de voormalige scheidingswand tussen lekenschip en priesterkoor. Een steile trap voert naar de speeltafel. Een belevenis apart, zo’n oud instrument. Opnieuw een kort klaviertje met een aangepaste bascant, en de middentoonstemming. Een stuk van Pachelbel met vier mollen gaat niet. Muziek van Froberger komt echter goed tot haar recht, evenals een psalmbewerking van Anthonie van Noordt.
De afzonderlijke stemmen van het instrument (slechts zeven stuks) zijn heel mooi. Het geheel klinkt echter nogal hard. En de windvoorziening komt ongelijkmatig over. Het orgeltje mag dan ouder zijn dan dat van Eenum, het verdrijft de Schnitger niet van z’n eerste plaats op de ranglijst.
J. Wiersma, contactpersoon in Usquert, gaat wél mee. Hij introduceert het instrument dat Petrus van Oeckelen hier in 1852 bouwde. Het is een „vroege Van Oeckelen”, vertelt hij. Het orgel heeft volgens hem dan ook een rococostijl, terwijl latere instrumenten van deze orgelbouwer meer romantisch van toon zijn.
De drie spaanbalgen met treden voor de windvoorziening, vlak naast de speeltafel, zijn nog intact. De balk op ooghoogte waaraan de treders zich vasthielden, laat zien dat hier heel wat afgezweten is. Eveneens vlak naast de speeltafel is een lessenaar op de balustrade bevestigd. Die kwamen we al eerder tegen. Wiersma vermoedt dat de organist vroeger ook de functie van Schriftlezer had.
Met zestien stemmen verdeeld over twee klavieren (aangehangen pedaal) is dit het grootste orgel dat voor vandaag op het programma staat. Het blijkt warm en rond van toon te zijn. Sommigen spreken van een boerse klank, weet Wiersma.
Meer romantische muziek als van Mendelssohn klinkt hier overigens prima. De spitse Flageolet 1’ springt eruit vanwege z’n helderheid. De Cornet echter klinkt vrij dof. Nadeel is ook dat je voor de draagkracht van het pedaal de Bourdon 16’ van het hoofdwerk nodig hebt; het vertroebelt echter de klank. We zijn niet heel enthousiast over Van Oeckelen; vooralsnog staat Usquert onder aan ons lijstje.
Reserves Pieterburen: bekend vanwege Lenie ’t Hart met haar zeehondencrèche. Van tevoren hadden we zo onze reserves ten aanzien van het instrument dat hier in de Petruskerk hangt. Een pneumatisch orgel uit 1901, gebouwd door Friedrich Leichel. De speeltafel lijkt op die van een harmonium. Het front laat iets zien van de orgelhistorie van de kerk: op het Schnitgerorgel dat hier 1698 was geplaatst, was men in 1900 uitgekeken, zodat het plaats moest maken voor een nieuw orgel. Echter, aan het rugwerk van Schnitger was men zodanig gehecht, dat men het -leeg- liet staan. Leichel heeft z’n best gedaan om het hoofdwerk daarop te laten lijken, maar het is anders, ook qua kleur.
Onze reserves verdwijnen echter als sneeuw voor de zon als we achter de speeltafel kruipen. Wat een krachtige, robuuste klank! En wat een fraaie solostemmen! De Cello van het hoofdwerk, bijvoorbeeld. Of de Trompet en de Cornet. De strijkers -Viool-Prestant, Violine en Aeoline- van het bovenwerk zijn warm van klank. Symfonische muziek klinkt hier verrassend goed. Jammer dat er in deze kerk zondags geen diensten meer worden gehouden.

Onbestaanbaar
Midwolde vormt het sluitstuk van de dag. Bijna achteloos krijgen we bij het contactadres de sleutels in handen gedrukt. We mogen zelf uitzoeken waar in de kerk het licht zit, achter welke deur de orgeltrap schuilgaat, hoe de windvoorziening van het orgel wordt ingeschakeld en hoe het instrument werkt.
Onbestaanbaar dat dit zo kan: zonder toelichting, zonder gebruiksaanwijzing. Het blijkt een oud, lieflijk, klein 17e-eeuws orgeltje te zijn. Andreas de Mare bouwde het in 1660, met gebruikmaking van nog ouder materiaal. Het prachtige frontje, dat wel wat weg heeft van het orgel van de Hooglandse Kerk in Leiden, wordt aan weerszijden geflankeerd door een beschilderd orgelluik waarop respectievelijk David en Mozes figureren. Eronder, op de balustrade, opnieuw beschilderingen, met de tekst: „O Heer wanneer ick U hebbe soo vraghe ick niet nae Hemel ende Aerde. Wanneer my oock lyf en ziel versmachte, soo syt doch Godt altydt myns herten troost ende myn deel.”
Ben je bij de speeltafel, dan heeft het geheel meer weg van een kabinetorgel; het heeft dan ook geen pedaal. Op het eerste gezicht lijken de registers te ontbreken. Bij nadere kennismaking blijken ze in de vorm van twee keer zes kleine ijzeren hevels boven het hoofd van de organist te zweven. Een grote hendel is voor de tremulant.
Erg kwetsbaar allemaal. Zo ook de twee houten stokjes -dikte van een halve knijper- die net boven het klavier zitten. Het is in eerste instantie onduidelijk waar ze voor dienen; later blijkt dat daarmee de twee Cymbelsterren die in de friezen van het front zijn aangebracht, te bedienen zijn. Die werken overigens niet.
De klank van het instrument blijkt overrompelend mooi te zijn. Het zijn slechts zeven stemmen, maar het klinkt allemaal zuiver en helder in deze rijkversierde ruimte. Dit wordt de grote concurrent van Eenums Schnitger als het om de eerste plaats in de top zes gaat, dat is duidelijk.
Een fuga van Buxtehude gaat uitstekend. En de variaties van Anthonie van Noordt: Psalm 116, Psalm 22. Alleen, die vragen op een gegeven moment om een pedaalpartij. Geen nood, die kun je, als je een paar handen extra hebt, ook in de bascant leggen. Op het bankje van amper 80 centimeter breed passen maar nauwelijks twee spelers. Maar de muziek lijkt hiervoor gemaakt. Stralend klinkt de Sesquialter in de derde variatie van Van Noordts 22e Psalm. Wat een orgeltje!
Top zes
Juweeltjes zijn het, de orgels die de Stichting Oude Groninger Kerken in beheer heeft. Het zestal maakt nieuwsgierig naar de andere acht die voor het publiek zijn opengesteld. En naar die andere tientallen die zich in het Groninger landschap bevinden. Een prima idee dat een deel nu toegankelijk is voor de liefhebber. Alleen: laat de organisatie ervoor zorgen dat er instructies en gebruiksaanwijzingen komen.
En dan de top zes. We zetten Usquerts Van Oeckelen op zes, met vlak daarboven Middelbert (Timpe). Vier en drie zijn lastig. Krewerd is wereldberoemd en het is ook erg bijzonder om er te spelen; toch waren we meer verrast door het instrument van Leichel in Pieterburen. Daarom: Krewerd op vier en Pieterburen op drie.
Blijven Eenum en Midwolde over. Een schitterende Schnitger en een wondermooie De Mare. We besluiten Eenum op twee te zetten. Niet omdat Schnitger minder is, maar omdat Midwolde net iets bijzonderder is. Vanwege de stralende Sesquialter.
Van Middelbert via Eenum, Krewerd, Usquert en Pieterburen naar Midwolde. Een dagtocht langs zes Groninger orgels is een zoektocht: naar het sleuteladres, naar de steile orgeltrap, naar de schakelaar van de windvoorziening. Maar ook een zoektocht naar de zuiverste klank. In Groningen is het mistig, deze dag. Jammer, want daardoor mis je veel van de pracht van het landschap. Extra genieten dan maar van de culturele schoonheid hier in het hoge noorden. En die is er genoeg. Vooral als het gaat om de talloze kerken en kerkjes die zich hier bevinden. De ”Orgelgids” die de Stichting Oude Groninger Kerken onlangs uitgaf (zie onder), biedt de mogelijkheid veertien van de vijftig orgels die de stichting beheert, te bespelen. Zes op één dag, dat moet kunnen. Waarbij we afspreken dat er vandaag een top zes van de te bespelen instrumenten moet ontstaan.


De Stichting Oude Groninger Kerken biedt de mogelijkheid veertien van de vijf- tig orgels die de stichting beheert, te bespelen.foto 1 van 14

SMID ...extra belangstelling...foto 2 van 14

Middelbert, orgelfront. foto 3 van 14

Middelbert, speeltafel. foto 4 van 14

Eenum, orgelfront. foto 5 van 14

Eenum, speeltafel.foto 6 van 14

Krewerd, orgelfront. foto 7 van 14

Krewerd, speeltafel. foto 8 van 14

Usquert, orgelfront. foto 9 van 14

Usquert, registers.foto 10 van 14

Pieterburen, orgelfront. foto 11 van 14

Pieterburen, speeltafel. foto 12 van 14

Midwolde, orgelfront. foto 13 van 14

Midwolde, speeltafel. foto 14 van 14

http://www.refdag.nl/artikel/1333219/Stralende+Sesquialter+in+Midwolde.html